Terug

Hoe we steeds weer een kleine dood sterven en er toch vaak sterker uit komen

16/08/2025

‘Liever een raket in de tuin dan een Rus in de keuken.’
Dat was een slogan in de jaren 80 en dé tegenhanger van de oproep: Ban de bom.
Je was in die tijd vóór of tégen de stationering van kruisrakketen.

Ik was van: Ban de Bom. Tegen kruisraketten dus.

Daarom liep ik ook – 6 maanden zwanger – mee met de demonstratie in den Haag op 29 oktober 1983. Het werd de grootste demonstratie ooit. Meer dan 550.000 mensen waren die dag op de been. Het was geen vrolijke tijd. En al helemaal geen tijd om een kind op de wereld te zeten. We waren serieus bang dat die bom zou vallen.

Maar de angst voor het vergaan van de wereld is van alle tijden. Laatst las ik ergens dat de mensheid al ver voor de oude Grieken vreest voor het einde der tijden.

Leven met angst en onzekerheid is zoiets als steeds weer een kleine dood sterven. Je hart vasthouden en  opgelucht ademhalen als het meevalt… tot de volgende kleine dood.

Op dit moment zijn er redenen genoeg om je zorgen te maken. Denk aan de klimaatcrisis, de maar door-etterende oorlogen, de polarisatie, de toenemende vrouwenhaat, en dat allemaal gecombineerd met een stelletje oude, zieke patriarchen dat de macht in handen heeft.

Niet bepaald ingrediënten voor een hoopvol verhaal.

En toch…

Een tiental jaren na de Ban de Bom-tijd, viel de Berlijnse muur en leek het (even) alsof het duizendjarig vredesrijk kon beginnen.

Zou het zo kunnen zijn dat deze tijd ook een hoopvolle plot-twist heeft? Zijn dit de laatste strapatsen van het patriarchaat? Kan het zijn dat het kapitalistische model van egoïsme, zelfverrijking, macht, corruptie, controle en overheersing, in zijn stervensstrijd wild om zich heen slaat?

Ik heb namelijk sterk de indruk dat er onder de oppervlakte van alles beweegt. Nog niet zo zichtbaar, maar voelbaar en levend. Als boomwortels in de winter, stil onder de bevroren aarde.

Dit verhaal – dat ik dit voorjaar schreef voor Yoga International – herinnert ons daaraan.

Er was eens een bijzondere en mooie vrouw met lang blond haar. Dat haar was zo mooi en zo fijn als gesponnen goud. De vrouw leefde al jaren alleen in een hut in het bos en bracht haar dagen door met weven.

Een brutale kolenbranderszoon uit het dorp vond haar aantrekkelijk en wilde met haar trouwen, maar dat weigerde ze. Toen hij zich beledigd voelde, gaf ze hem als troost een paar plukjes van haar gouden haar.

De jongen wist niets van de waarde en dacht dat hij er wel een goede prijs voor zou kunnen krijgen. Maar de mensen op de markt lachten hem uit.
‘Je hebt je laten belazeren, dit is gewoon een plukje haar’.
De jongen keerde woedend terug naar het hutje en doodde de vrouw. Hij begroef haar lichaam bij de rivier. Maanden verstreken en het leek erop dat niemand haar miste.

Maar er gebeurde iets wonderlijks…

Onder de grond groeide het gouden haar van de vrouw onverminderd door, steeds langer en langer, en de prachtige gouden lokken drongen golvend en krullend omhoog door de zwarte aarde, steeds hoger en hoger totdat de hele bodem bedekt was met gouden riethalmen, die dansten en glansden in de zon en samen een prachtig veld vormden.
De herders gebruikte het gouden riet om er fluitjes van te maken en wanneer ze die bespeelden hoorde jet het verhaal over de vrouw met het gouden haar.

En zo werd de moordenaar ontdekt en berecht. En verspreidde het goud zich steeds verder over de aarde.

Tja… Alles wat je probeert te onderdrukken, vernietigen of vergeten, keert terug. Soms sterker. Soms zachter. Maar altijd levend.

(c) Mieke Bouma

 

Terug